Maarten Luther was één van de belangrijkste hervormers die door God werd uitgekozen om de kerk uit de duisternis van het pausdom naar het licht van een zuiverder geloof te leiden. Hij was ijverig, enthousiast en toegewijd. Hij vreesde alleen God en beschouwde de Bijbel als de enige grondslag voor het christelijke geloof. Hij was de man aan wie zijn tijd dringend behoefte had. Hij werd door God uitgekozen om de kerk te hervormen en de wereld te verbeteren.

Zoals de eerste discipelen kwam ook Luther uit een arm gezin. Zijn eerste levensjaren bracht hij door in het eenvoudige huis van zijn ouders op het platteland. Zijn vader was mijnwerker en moest hard werken om zijn zoon te laten studeren. Hij wilde dat zijn zoon rechten zou studeren, maar God had de jonge Luther uitgekozen om te werken aan de grote tempel die zo langzaam in de loop der eeuwen werd opgetrokken. Ontberingen en strenge tucht waren de middelen die God gebruikte om hem op zijn belangrijke levenstaak voor te bereiden.

Luthers vader was intelligent en had een sterke persoonlijkheid. Hij was eerlijk, vastberaden en integer. Hij was ook consequent en ging recht door zee. Hij gebruikte zijn gezond verstand en stond daardoor wantrouwig tegenover het kloosterwezen. Hij was erg boos toen Luther zonder zijn toestemming in het klooster trad. Het duurde twee jaar eer Luthers vader zich met zijn zoon verzoende, maar ook toen bleef zijn vader op zijn standpunt staan.

Luthers ouders besteedden veel zorg aan de opvoeding en opleiding van hun kinderen. Ze wilden hen in de kennis van God opvoeden en hun de christelijke deugden aanleren. Luthers vader bad vaak in bijzijn van zijn zoon dat de jongen God trouw mocht blijven en eens zou mogen meewerken aan de verspreiding van de waarheid.

Ondanks het harde leven maakten zijn ouders dankbaar gebruik van elke gelegenheid die zich voordeed om hun kinderen op moreel en intellectueel gebied te begeleiden. Zij deden hun uiterste best om hun kinderen voor te bereiden op een vroom en nuttig leven. Door hun onwrikbaar karakter waren ze soms te streng. Luther gaf er zich later wel rekenschap van dat zijn ouders het in sommige opzichten bij het verkeerde eind hadden, maar vond in hun aanpak meer positiefs dan negatiefs.

Luther werd heel jong naar school gestuurd en werd er met harde hand en zelfs met geweld behandeld. Zijn ouders waren zó arm dat hij onderweg tussen zijn ouderlijk huis en zijn school, die in een andere stad lag, gedurende enige tijd zelf aan de kost moest zien te komen door van deur tot deur te zingen. In die tijd leed hij vaak honger. De sombere, bijgelovige opvattingen van toen maakten hem bang. Vaak ging hij verdrietig naar bed en zag hij de toekomst met vrees tegemoet.

De angst sloeg hem om het hart als hij aan God dacht, want hij beschouwde Hem meer als een hardvochtige, meedogenloze rechter en een wrede tiran dan als een liefhebbende hemelse Vader. Ondanks de vele redenen om ontmoedigd te zijn, streefde Luther toch vol overtuiging naar de hoge morele en intellectuele idealen die hij zich had gesteld. Hij wilde altijd méér weten en door zijn ernstige instelling en praktische aanleg had hij meer belangstelling voor degelijkheid en nuttigheid dan voor het opzienbarende en het oppervlakkige.

Toen hij op achttienjarige leeftijd aan de universiteit van Erfurt ging studeren, stond hij er financieel veel beter voor dan vroeger en waren zijn vooruitzichten gunstiger dan in zijn jeugd. Zijn ouders waren door spaarzaamheid en vlijt welgesteld geworden en konden hem alle hulp bieden die hij nodig had. Onder invloed van enkele verstandige vrienden waren de negatieve gevolgen van zijn vroegere opvoeding gedeeltelijk verdwenen. Hij legde zich toe op de studie van de beste schrijvers, verwerkte vol ijver hun diepste gedachten en wilde de wijsheid van de wijzen verwerven.

Ondanks de harde tucht van zijn vroegere leraren bleek hij al heel vroeg een veelbelovend student te zijn. Dankzij de goede begeleiding maakte hij snel vorderingen in zijn studie. Door zijn uitzonderlijk geheugen, zijn levendige verbeelding, zijn buitengewone intelligentie en zijn volledige toewijding was hij spoedig één van de beste studenten. De intellectuele discipline stimuleerde zijn verstand, prikkelde zijn geest en scherpte zijn kritische zin, zodat hij werd gewapend voor de levensstrijd.

Luther leefde in de vreze des Heren. Daardoor kon hij in het geloof volharden en zich voor God verootmoedigen. Hij was zich altijd bewust van zijn behoefte aan Gods hulp. Hij begon elke dag met een gebed en vroeg God voortdurend om leiding en steun. Hij zei dikwijls:

“Goed bidden is méér dan de helft van de studie” (1 D’Aubigne, b. 2 ch. 2)

Toen Luther eens langs de boekenrekken in de universiteitsbibliotheek liep, ontdekte hij een Bijbel in het Latijn. Zo’n boek had hij nog nooit gezien. Hij wist zelfs niet dat zoiets bestond. Hij had wel gedeelten uit de evangeliën en de brieven in de kerk horen voorlezen en had altijd gedacht dat de Bijbel daarmee volledig was. Voor de eerste keer in zijn leven zag hij het volledige Woord van God.

Met eerbied en verwondering sloeg hij de bladen van het heilig Woord om. Zijn pols klopte sneller en zijn hart bonsde toen hij de woorden des levens las. Af en toe stopte hij even en zei;

Ik hoop dat God mij zo’n boek zal geven!

Engelen stonden naast hem en lichtstralen van Gods troon wezen hem de weg in de schatkamer der waarheid. Hij was altijd bang geweest dat hij God zou beledigen, maar nu werd hij zich meer dan ooit bewust van zijn zondige toestand.

(bron: Het Grote Conflict)