Hij wilde radicaal met de zonde breken en vrede vinden bij God. Daarom besloot hij in het klooster te treden en monnik te worden. In het klooster moest hij de meest vernederende en geestdodende karweitjes opknappen. Hij moest van deur tot deur gaan bedelen. Hij was op een leeftijd gekomen dat de mens erg veel behoefte heeft aan waardering en begrip.

Dit vernederende werk kwetste hem uitermate, maar hij verdroeg deze vernederingen geduldig omdat hij dacht dat hij op die manier voor zijn zonden moest boeten. Zodra hij even vrij was, wijdde hij zich aan de studie. Hij sliep te weinig en gunde zich nauwelijks tijd om zijn karige maaltijden te gebruiken. Het liefste wat hij deed was het overdenken van Gods Woord.

Hij had een Bijbel gevonden die met een ketting aan de kloostermuur lag. Hij las er vaak in. Naarmate zijn schuldgevoel groter werd, probeerde hij door zijn eigen goede werken vergeving te krijgen en rust te vinden. Hij leidde een zeer streng leven en wilde door vasten, waken en kastijding het kwaad in hem bedwingen, want het kloosterleven had hem er niet van bevrijd. Geen offer was hem te groot, als het hem maar van zijn zonden verloste, zodat hij door God “waardig gekeurd” kon worden.

‘Ik was echt een vrome monnik. Ik hield mij zeer stipt aan de regels van mijn orde. Als een monnik ooit door zijn eigen goede werken de hemel kon verdienen, zou ik daar zeker voor in aanmerking komen… Als ik nog langer met mijn zelfkastijding was doorgegaan, zou ik er beslist aan bezweken zijn.”

Hij verzwakte door de pijnlijke kastijdingen en viel vaak flauw. Hij is de gevolgen van zijn ‘zelfdiscipline’ eigenlijk nooit helemaal te boven gekomen. Ondanks al zijn inspanningen vond hij geen rust. Op den duur was hij de wanhoop nabij.

Toen Luther dacht dat zijn geval hopeloos was, gaf God hem een vriend en helper. De vrome von Staupitz legde hem het Woord van God uit en zei dat hij zijn aandacht niet meer op zichzelf moest concentreren en niet meer aan de eeuwige straf op de overtreding van Gods wet mocht denken. Von Staupitz gaf hem de raad zijn denken te richten op Jezus, zijn Verlosser, die vergeving kon schenken.

“Je moet je lichaam niet kastijden omdat je een zondaar bent, maar je moet tot Jezus gaan. Vertrouw op Hem, op Zijn gerechtigheid, op de verzoening door Zijn dood… Luister naar Gods Zoon. Hij werd mens om je de zekerheid van Gods genade te geven. Heb Hem lief Die jou heeft liefgehad.”

Dit zei de boodschapper die hem Gods genade verkondigde. Zijn woorden maakten diepe indruk op Luther. Na heel veel strijd tegen de dwalingen waar hij al zo lang in geloofde, kreeg hij steeds meer inzicht in de waarheid en kwam er een eind aan zijn verwarring.

Luther ontving de priesterwijding en werd daarna hoogleraar aan de universiteit van Wittenberg. Hij legde zich toe op de studie van de Bijbel in de oorspronkelijke talen. Hij begon college te geven over de Bijbel en leerde zijn enthousiast publiek de psalmen, de evangeliën en de brieven kennen. Von Staupitz, zijn vriend en overste, spoorde hem aan om op de kansel te gaan en het Woord van God te preken.

Luther aarzelde echter omdat hij zichzelf niet waardig vond om in de naam van Christus tot het volk te spreken. Pas na een lange strijd ging hij op het verzoek van zijn vriend in. Hij kende de Bijbel toen al grondig en Gods genade rustte op hem. Zijn welsprekendheid boeide zijn toehoorders. Door de duidelijkheid en overtuigingskracht waarmee hij de waarheid verkondigde, kon hij zijn publiek tot andere gevoelens en gedachten brengen.

Hij was nog een trouwe zoon van de rooms katholieke kerk en zag dit trouwens als de enige mogelijkheid. Door Gods voorzienigheid werd hij ertoe gebracht een voetreis naar Rome te maken. Onderweg nam hij zijn intrek in kloosters. In Italië verbaasde hij zich over de rijkdom, pracht en weelde die hij in de kloosters zag. De monniken hadden een vorstelijk inkomen, woonden in mooie kamers, droegen de duurste mantels en smulden aan een rijk gedekte tafel.

Luther was pijnlijk getroffen door de tegenstelling tussen dit luilekkerland en de offers en ontberingen in zijn eigen leven. Hij was gewoon verbijsterd. Toen hij de stad op de zeven heuvels in de verte zag herrijzen, knielde hij diep ontroerd neer en riep uit:

‘Heilig Rome, ik groet u!’

Hij trok de stad in, bezocht de kerken, luisterde naar de verhaaltjes van de priesters en monniken en vervulde alle godsdienstige plichten. Overal zag hij dingen die hem met verbazing en afschuw vervulden. Hij stelde vast dat de geestelijkheid, van hoog tot laag, in zonde leefde. Prelaten vonden het niet beneden hun waardigheid allerlei schunnige moppen te tappen. Luther was met stomheid geslagen door hun hemeltergend gedrag, dat ze zelfs tijdens de mis niet konden nalaten.

Bij zijn contacten met monniken en burgers merkte hij dat losbandigheid en uitspattingen welig tierden. Overal waar hij kwam, vond hij heiligschennis in plaats van heiligheid.

“Men kan zich gewoon niet voorstellen welke zonden en gruwelen er in Rome worden bedreven. Men moet het met eigen ogen zien en met eigen oren horen. Daarom zeggen de mensen dikwijls: ‘Als er een hel is, dan is Rome erop gebouwd: Het is een poel van alle denkbare gruwelen.”

Kort tevoren had de paus een aflaat beloofd aan iedereen die op zijn knieën de Pilatustrap zou beklimmen. Volgens de overlevering zou Christus via deze trap naar beneden zijn gegaan toen Hij de Romeinse rechtszaal verliet; de trap zou later op wonderbaarlijke wijze van Jeruzalem naar Rome zijn overgebracht.

Eens ging Luther op zijn knieën deze trap op. Plots zei een stem als een donderslag:

“De rechtvaardige zal uit geloof leven” Romeinen 1:17

Hij sprong onmiddellijk overeind. Beschaamd en vol afgrijzen ging hij zo vlug mogelijk weg. Deze tekst heeft hem trouwens nooit meer losgelaten. Vanaf dat ogenblik besefte hij duidelijker dan ooit dat het helemaal geen zin heeft om voor zijn zaligheid op eigen goede werken te rekenen en begreep hij de noodzaak van een vast geloof in de verdiensten van Christus.

Zijn ogen waren nu voorgoed geopend voor de misleidingen van het pausdom. Hij keerde Rome letterlijk en figuurlijk de rug toe. Dit was het begin van de steeds groter wordende kloof tussen hem en de rooms katholieke kerk die tenslotte uitliep op een definitieve breuk met Rome.

(bron: Het Grote Conflict)