Na zijn terugkeer uit Rome promoveerde hij tot doctor in de godgeleerdheid aan de universiteit van Wittenberg. Vanaf dat ogenblik kon hij zich meer dan ooit toeleggen op het onderzoek van de Bijbel. Hij had zich heilig voorgenomen zijn geliefkoosd onderwerp, het Woord van God, elke dag van zijn leven grondig te bestuderen en alleen de Schrift – niet de uitspraken en leerstellingen van pausen – in alle getrouwheid te verkondigen. Hij was nu niet alleen monnik en hoogleraar, maar ook de gezaghebbende verdediger van de Bijbel.

God had hem uitgekozen om de herder te zijn van zijn kudde, die naar waarheid hongerde en dorstte. Hij verklaarde uitdrukkelijk dat christenen alleen leerstellingen mochten aannemen die op het gezag van de Heilige Schrift steunden. Deze woorden, die het grondbeginsel van de Hervorming uitdrukken, ondermijnden de grondslag van het pauselijk oppergezag.

Luther begreep hoe gevaarlijk het is als menselijke theoriën boven het Woord van God worden geplaatst. Hij viel de speculatieve wijsbegeerte van de scholastici onvervaard aan. Hij kantte zich tegen de filosofie en theologie die zó lang het denken van de mensen hadden beïnvloed. Hij vond ze niet alleen nutteloos, maar ook gevaarlijk. Hij probeerde zijn toehoorders af te wenden van de drogredenen van filosofen en theologen en wilde hun aandacht vestigen op de eeuwige waarheden die de profeten en apostelen hadden verkondigd.

De mensen luisterden aandachtig naar zijn waardevolle boodschap. Zij hadden zoiets nog nooit gehoord. Het goede nieuws van een liefdevolle Heiland en de verzekering van vergeving en vrede door Zijn verzoenend bloed maakte de mensen blij en gaf hun een onvergankelijke hoop.

In Wittenberg werd een licht ontstoken dat tot de verste uithoeken van de aarde zou schijnen en tot het einde der tijden steeds helderder zou stralen. Licht en duisternis kunnen echter niet samengaan. Waarheid en dwaling zijn absoluut onverenigbaar. Als men de waarheid verkondigt en verdedigt, valt men onvermijdelijk het bedrog aan, en omgekeerd. Christus zei:

“Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” Mattheüs 10:34

Enkele jaren na het begin van de Hervorming zei Luther:

God leidt me niet, Hij stuwt me voort. Hij sleept me mee. Ik ben geen baas meer over mezelf. Ik wil rustig leven, maar moet van Hem in het strijdperk treden

Hij stond op het punt dat ook te doen. De rooms katholieke kerk had Gods genade tot koopwaar gemaakt. De tafels van de geldwisselaars (Mattheüs 21:12) stonden naast haar altaren. Kopers en verkopers boden luidkeels tegen elkaar op. De paus had geld nodig voor de bouw van de Sint-Pieterskerk in Rome en bood onder dit voorwendsel in het openbaar aflaten voor de zonde te koop aan. Met de prijs die de mensen voor hun zonden betaalden, wilde hij een tempel voor God bouwen en met het loon van de ongerechtigheid zou hij de hoeksteen leggen! Maar de middelen die werden gekozen om Rome luisterrijker te maken, brachten een zware slag toe aan haar grootheid en macht. Hierdoor werd één van de hardnekkigste en meest succesvolle vijanden van het pausdom tot actie aangezet.

Er ontbrandde een strijd die de pauselijke troon aan het wankelen bracht en de tiara bijna van het hoofd van de paus stootte.

Tetzel werd door Rome belast met de verkoop van aflaten in Duitsland. Hij was veroordeeld voor de gemeenste misdaden tegen de samenleving en was schuldig aan de ergste vergrijpen tegen Gods wet. Hij slaagde er echter in door de mazen van het net te glippen en werd ingeschakeld om de schraapzuchtige, gewetenloze plannen van de paus te bevorderen. Hij vertelde zonder enige schaamte de grofste leugens en diste allerlei verzinsels op om de onwetende, lichtgelovige massa te misleiden. Als zij Gods Woord hadden zouden zij niet om de tuin zijn geleid. De mensen mochten de Bijbel echter niet lezen omdat men ze onder het juk van het pausdom wilde houden om de eerzuchtige leiders machtiger en rijker te maken.

Wanneer Tetzel in een stad kwam, werd hij voorafgegaan door een heraut die aankondigde:

Wij brengen de genade van God en van de heilige Vader

Het volk verwelkomde de godslasterende bedrieger alsof hij God zelf was, die uit de hemel was gekomen. Deze schandelijke handel werd in de kerk gedreven. Tetzel verkondigde vanaf de kansel dat de aflaten het kostbaarste geschenk van God waren. Hij beweerde dat elke zonde die een afnemer van zijn aflaatbrieven later zou begaan, op grond van zijn aflaten zou worden vergeven en dat de betrokkene zelfs geen berouw hoefde te hebben.

Hij gaf zijn publiek bovendien de verzekering dat de aflaten niet alleen de levenden, maar ook de doden konden redden. Zodra het geldstuk op de bodem van zijn geldkoffer zou rinkelen, zou de ziel van degene voor wie men had betaald uit het vagevuur worden verlost en naar de hemel gaan.

(bron:Het Grote Conflict)