Hoe zit het met de worm, die niet zal sterven?

In Markus 9:45,46 wordt het volgende gezegd;

“… de hel, in het onuitblusbare vuur, waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.”

Sommigen leggen het woord worm zó uit, dat het de ziel is. Bedoelde Jezus dat? Nergens in de Bijbel is er een toespeling te vinden op de ziel als worm. In dit geval gebruikte Jezus voor ‘hel’ het woord ‘Gehenna’. Gehenna was een bestaande verbrandingsplaats, net buiten de muren van Jeruzalem. De toehoorders van Christus konden ongetwijfeld de rook uit het dal van Gehenna zien opkringelen, waar dode lichamen en vuilnis voortdurend werden verbrand. Als iets buiten de vernietigende vlammen terechtkwam, werd dit al gauw door maden of wormen opgegeten. Met dit levende beeld van totale vernietiging voor ogen, gebruikte Jezus het vuur van Gehenna als voorbeeld van de totale vernietiging door het hellevuur. Dit vuur werd nooit geblust. En de wormen waren constant op de lichamen in de weer – het is een beeld voor de totale vernietiging.

Misschien is wel de makkelijkst te verdraaien tekst over de hel, hetgeen Johannes zegt over rook, die opstijgt ‘tot in alle eeuwigheid’ Openbaring 14:11 en 19:3. Voor mensen die niet vertrouwd zijn met hoe deze zinsnede in de Bijbel gebruikt wordt, kan dit inderdaad verwarrend zijn. Maar laten we de verschillende verzen in zowel het Oude als het Nieuwe Testament eens met elkaar vergelijken. De uitdrukking ‘voor eeuwig’ komt 57 keer voor in de betekenis van iets, dat al ten einde is gekomen. Met andere woorden; ‘voor eeuwig’ betekent niet altijd ‘zonder einde’.

We kunnen veel opmerkelijke voorbeelden aanhalen. Maar twee of drie zijn heel bijzonder. In Exodus 21 worden de voorwaarden voor slavernij vastgelegd. Als een slaaf ervoor koos, liever de meester die hij liefhad te blijven dienen, in plaats van op de vastgestelde tijd de vrijheid te verkiezen, dan moest zijn oor met een priem doorboord worden. En dan zegt de Bijbel;

“Zo zal hij hem voor altijd (KJV: voor eeuwig, SV: eeuwiglijk) dienen.” Exodus 21:6

Maar hoelang zal deze slaaf zijn menselijke meester dienen?

Natuurlijk hoogstens zolang hij leeft. Dus de woorden ‘voor altijd’ betekenen hier niet ‘zonder einde’.

Hanna bracht haar zoon Samuel naar de tempel van God. Hij zou daar ‘voor al de dagen (KJV: voor eeuwig) blijven’.

De oorspronkelijke betekenis voor de term ‘voor eeuwig’ is: een onbepaalde hoeveelheid tijd.

Over het algemeen beslaat het de tijdsperiode waarin iets onder gelijk blijvende omstandigheden kan blijven bestaan. Zelfs Jona’s verblijf in de walvis wordt door hem als ‘voor eeuwig’ (Jona 2:6) beschreven.

Iemand maakt misschien de tegenwerping, dat dan ook aan het verblijf van de rechtvaardigen in de hemel een einde zal komen. Want van hun staat geschreven, dat ze God ‘voor eeuwig’ zullen verheerlijken. De uitdrukkingen voor verlosten en verlorenen zijn hetzelfde. Maar er is één geweldig verschil in de omstandigheden die voor beide groepen gelden. De heiligen hebben het geschenk van de onsterfelijkheid ontvangen. Hun levensdagen kunnen zich nu meten met die van God.

‘Onsterfelijkheid’ betekent: niet aan de dood onderworpen.

Met betrekking tot hen kunnen de woorden ‘voor eeuwig’ uitsluitend betekenen: ‘zonder einde’, want ze zijn al onsterfelijk. Maar wanneer ‘voor eeuwig’ gebruikt wordt om de goddelozen te beschrijven, spreken we over sterfelijke schepselen die kunnen en moeten sterven. Hun ‘voor eeuwig’ is slechts zolang hun sterfelijke natuur het in de vlammen kan uithouden. Daarin worden ze gestraft naar hun werken.

In een volgende overdenking gaan we het laatste feit bespreken over het lot van de goddelozen. Mis het niet!

Foto: the Valley of Gehenna