Volgend op het edict van Constantijn uit 321 deden zowel keizers als pausen nieuwe wetten uitgaan om de zondagsviering te handhaven. Wat begon als een heidense verordening, eindigde als een christelijke instelling. Direct na het edict van Constantijn volgde het Concilie van Laodicea (circa 364):

” Christenen zullen zich niet als Joden gedragen door op zaterdag (sabbat) niet te werken, maar zij moeten werken op die dag: maar de dag des Heren zullen zij bijzonder eren, en daar zij christenen zijn, zullen zij als het mogelijk is, niet arbeiden op die dag. Als er echter ontdekt wordt dat zij zich als jood gedragen, zullen zij uitgestoten worden uit de christelijke gemeenschap.”