EEN TIJD VAN GEESTELIJKE DUISTERNIS

Rome veranderde Gods wet

In de vorige overdenking zijn we gestopt met Om het godslasterlijke werk af te ronden, heeft Rome zich het recht toegeëigend het tweede gebod, dat de beeldendienst verbiedt, uit Gods wet te schrappen en het tiende gebod te splitsen om toch het juiste aantal te behouden. We gaan hiermee verder.

De aanval op Gods eeuwenoude Sabbat

De geest van toegevingen aan het heidendom baande de weg voor een nog grotere aanslag op Gods gezag. Satan bediende zich van oneerlijke leiders in de gemeente om ook het vierde gebod te veranderen en hij probeerde de eeuwenoude sabbat, de dag die door God was gezegend en geheiligd, (Genesis 2:2,3) opzij te schuiven en in plaats daarvan het feest dat de heidenen vierden als ‘de eerbiedwaardige dag van de zon’ in te voeren.

Aanvankelijk werd deze verandering niet direct openlijk doorgevoerd. In de eerste eeuwen was de ware sabbat door alle christenen gevierd. Zij ijverden voor Gods eer en daar ze geloofden dat Zijn wet onveranderlijk was, waakten ze ijverig over de heiligheid van haar geboden. Maar de Satan ging met grote sluwheid te werk  om het beoogde doel door bemiddeling van zijn medewerkers te bereiken. Om de aandacht van de mensen op de zondag te richten, maakte men er een feestdag van. Er werden kerkdiensten op die dag gehouden.

Toch werd de zondag alleen als een dag van ontspanning beschouwd en werd de sabbat nog altijd geheiligd. Om de weg te bereiden voor het werk dat hij van plan was tot stand te brengen, had Satan nog vóór de komst van Christus de Joden de sabbat met zeer strenge voorschriften laten verzwaren, waardoor sabbatsviering een last werd. Hij profiteerde van het ongunstige licht waarin de sabbat werd geplaatst en brandmerkte de sabbat als een Joodse instelling.

Terwijl de christenen de zondag bleven vieren als een feestdag, zorgde hij ervoor dat ze van de sabbat een vastendag, een dag van droefheid en somberheid maakten om op die manier hun haat tegenover het Jodendom te tonen. In het begin van de vierde eeuw vaardigde keizer Constantijn een bevel uit waarbij de zondag in het hele Romeinse rijk tot openbare feestdag werd uitgeroepen.

Heidendom en Christendom moesten verzoend worden

De dag van de zon werd door zijn heidense onderdanen gevierd en werd door de christenen in ere gehouden. Het beleid van de keizer was erop gericht de tegenstrijdige belangen van het heidendom en het christendom met elkaar te verzoenen. Hij werd daartoe aangespoord door de bisschoppen van de kerk, die door eerzucht en machtswellust gedreven, meenden dat wanneer zowel christenen als heidenen dezelfde dag vierden het christendom door vele heidenen zogenaamd zou worden aangenomen en dat op die manier de macht en luister van de kerk zou worden vergroot.

Maar hoewel veel godvrezende christenen langzamerhand de zondag een zekere graad van heiligheid begonnen toe te kennen, vierden zij nog altijd de ware sabbat als de heilige dag des Heren en heiligden zij hem in gehoorzaamheid aan het vierde gebod.

Maar hoewel veel godvrezende christenen langzamerhand de zondag een zekere graad van heiligheid begonnen toe te kennen, vierden zij nog altijd de ware sabbat als de heilige dag des Heren en heiligden zij hem in gehoorzaamheid aan het vierde gebod.

Maar daarmee was het werk van de aartsbedrieger nog niet af. Hij was vastbesloten de christelijke wereld onder zijn banier te scharen en er macht over uit te oefenen door bemiddeling van zijn stedehouder, de trotse bisschop, die zich uitgaf voor de vertegenwoordiger van Christus. Hij bereikte zijn doel door de medewerking van halfbekeerde heidenen, eerzuchtige prelaten en wereldsgezinde kerkleden. Van tijd tot tijd werden er grote concilies gehouden, waartoe de kerkelijke waardigheidsbekleders uit de gehele wereld bijeengeroepen werden. Op bijna elk concilie werd de sabbat die God had ingesteld wat verder verlaagd, terwijl de zondag in dezelfde mate werd verhoogd. Zo werd de heidense feestdag op den duur als een goddelijke instelling vereerd, terwijl de sabbat van de Bijbel werd gedoodverfd als een overblijfsel van het Jodendom en de mensen die hem vierden werden vervloekt.

De grote afvallige was erin geslaagd zich te verheffen ‘tegen al wat God of voorwerp van verering heet’. (2 Thessalonicenzen 2:4) Hij had het énige gebod van de heilige wet dat het hele mensdom duidelijk wijst op de ware en enige God veranderd.

Hij had het énige gebod van de heilige wet dat het hele mensdom duidelijk wijst op de ware en enige God veranderd.

 

In een volgende overdenking gaan we hier weer mee verder.