EEN TIJD VAN GEESTELIJKE DUISTERNIS

Het waren gevaarlijke dagen voor Christus’ gemeente. Er waren maar zeer weinig trouwe dragers van de kruisbanier. Hoewel er altijd getuigen voor de waarheid zijn geweest, was het op sommige ogenblikken alsof dwaling en bijgeloof helemaal de overhand zouden krijgen en de ware godsdienst van de aarde zou worden gebannen.

Men verloor het evangelie uit het oog, terwijl de godsdienstige vormen in aantal toenamen en het volk onder de strenge eisen gebukt ging. Men vertelde de mensen niet alleen dat ze de paus als hun middelaar moesten beschouwen, maar men leerde ze ook vertrouwen op hun eigen werken ter verzoening van hun zonden. Lange pelgrimstochten, boetedoening, het vereren van relikwieën, het bouwen van kerken, heiligdommen en altaren, het betalen van grote sommen aan de kerk en nog veel andere verplichtingen werden aan de mensen opgelegd om Gods toorn te verminderen of om Zijn gunst af te smeken, alsof God toornig wordt of door giften en boetedoening gunstig wordt gestemd.

Ondanks de goddeloosheid die zelfs onder de leiders van de rooms-katholieke-kerk heerste, scheen haar invloed voortdurend te groeien. Tegen het einde van de achtste eeuw kwamen de pausgezinden voor de dag met de bewering dat de bisschoppen van Rome in de eerste eeuwen van de kerk dezelfde geestelijke macht hadden uitgeoefend als die waar ze op dat ogenblik recht op meenden te hebben. Om deze bewering kracht bij te zetten moesten ze wel een middel vinden om er een schijn van gezag aan te geven.

De vader der leugen zorgde daar in een handomdraai voor: de monniken vervalsten enkele oude documenten en men ontdekte besluiten van kerkvergaderingen waar geen mens ooit van gehoord had. Volgens deze vervalsingen zou het oppergezag van de paus al in de vroegste tijden zijn vastgelegd. De kerk, die de waarheid de rug had toegekeerd, nam dit bedrog gretig aan. De weinige trouwe bouwmeesters die bouwden op het ware fundament (1 Korinthiërs 3:10,11), werden in de war gebracht en gehinderd door het puin van de valse leerstellingen die hun werk in de weg stonden.

Zoals de bouwlieden die in Nehemia’s dagen de muur van Jeruzalem bouwden, waren enkelen geneigd te zeggen:

De kracht der dragers schiet te kort en puin is er te veel; wij zijn niet in staat de muur te bouwen. (Nehemia 4:10)

Afgemat door de voortdurende strijd tegen de vervolging, bedrog, goddeloosheid en door elke andere hindernis die Satan maar kon bedenken om hun vooruitgang te stuiten, werden sommige van de trouwe bouwlieden ontmoedigd. Ter wille van de vrede en de veiligheid van hun eigen bezittingen en hun leven wendden zij zich af van het ware fundament. Anderen werden niet verschrikt door de tegenstand van hun vijanden en zeiden onbevreesd:

Vreest toch niet voor hen; denkt aan de grote en geduchte Here. (Nehemia 4:14)

En gingen verder met hun werk en elk had zijn zwaard aan zijn zij. (Efeziërs 6:17) Dezelfde geest van haat en verzet tegen de waarheid heeft de vijanden van God in alle eeuwen bezield en zijn dienaren moeten dezelfde waakzaamheid en getrouwheid aan de dag leggen. De woorden van Christus aan de eerste discipelen slaan ook op zijn volgelingen aan het einde der tijden:

Wat Ik u zeg, zeg Ik allen: WAAKT! (Marcus 13:37)

De duisternis scheen nog dichter te worden. De beeldendienst werd steeds algemener. Men brandde kaarsen voor de beelden en er werden gebeden tot hen gericht. De dwaaste en meest bijgelovige praktijken vierden hoogtij. De geesten van de mensen waren zo in de ban van het bijgeloof dat de rede alle macht scheen te hebben verloren. Daar de priesters en bisschoppen wellustig, zinnelijk en verdorven waren, is het geen wonder dat de mensen die naar hen opkeken voor leiding totaal onwetend waren.

In de elfde eeuw werd er nog een stap gezet op de weg van de pauselijke aanmatiging toen paus Gregorius VII de volmaaktheid van de rooms-katholieke kerk afkondigde. Eén van de stellingen die hij verdedigde luidde:

“De kerk heeft volgens de Schrift nooit gedwaald en kan ook nooit dwalen”.

Maar hij staafde zijn bewering niet met bewijzen uit de Schrift. De trotse bisschop wilde ook de macht hebben om keizers af te zetten. Hij verklaarde dat geen enkel vonnis dat hij had uitgesproken door iemand anders kon worden vernietigd, maar dat hij wel het recht had de beslissingen van anderen ongedaan te maken.

Volgende keer het laatste deel in deze serie, over de mens der wetteloosheid.

(bron: Het Grote Conflict)