EEN TIJD VAN GEESTELIJKE DUISTERNIS

Hoe opvallend is de tegenstelling tussen de hoogmoed van de paus en de ootmoed en zachtmoedigheid van Christus, die zegt dat Hij aan de deur van het hart staat en vraagt om binnen gelaten te worden, zodat Hij vergiffenis en vrede kan brengen, en zijn discipelen leerde:

En wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn. (Mattheüs 20:27)

In de opvolgende eeuwen slopen er steeds meer dwalingen in de leerstellingen die door Rome werden verkondigd. Zelfs al vóór het instellen van het pausdom had men belangstelling getoond voor de leer van heidense wijsgeren en hadden zij grote invloed uitgeoefend op de kerk. Velen die beweerden dat ze bekeerd waren, geloofden nog in de leerstellingen van hun heidense wijsbegeerte en bleven die niet alleen nog verder bestuderen, maar drongen ze ook op aan anderen om door middel daarvan hun invloed onder de heidenen te vergroten.

Zo slopen ernstige dwalingen het christelijke geloof binnen.

De belangrijkste daarvan zijn het geloof in de natuurlijke onsterfelijkheid van de mens en het bewustzijn na de dood. Deze leer legde het fundament waarop Rome het aanroepen van de heiligen en verering van de Maagd Maria grondvestte. Hieruit ontstond ook de ketterij van de eeuwige straf voor degenen die onboetvaardig stierven, een punt dat al heel vroeg in de pauselijke leer werd opgenomen. Toen stond de weg open voor de invoering van nog een ander verzinsel van het heidendom, dat Rome ‘het vagevuur’ noemde en gebruikt werd om de lichtgelovige en bijgelovige massa schrik aan te jagen. Volgens deze ketterij bestaat er een plaats van pijniging waar de zielen van mensen die geen eeuwige verdoemenis hebben verdiend voor hun zonden moeten boeten en vanwaar uit zij in de hemel worden toegelaten nadat ze van hun onreinheid zijn gezuiverd.

Er was nog een ander verzinsel nodig om het Rome mogelijk te maken munt te slaan uit de vrees en de zonden van haar aanhangers. Dit gebeurde door de leer van de aflaten. De volledige vergeving van zonden van verleden, heden en toekomst en de kwijtschelding van alle opgelopen straffen en boet3en werden beloofd aan alle gelovigen die zouden deelnemen aan de oorlogen van de paus om zijn wereldlijke macht uit te breiden, zijn vijanden te straffen of om allen uit te roeien die het zouden wagen zijn geestelijke oppergezag niet te erkennen. Ook leerde men de mensen dat ze zich door het betalen van geld aan de kerk konden vrijkopen van zonde en ook de zielen van hun overleden vrienden die in het vagevuur waren, konden verlossen. Met zulke middelen vulde Rome haar schatkist en betaalde ze voor de pracht en praal, de weelde en de ondeugden van de zogenaamde vertegenwoordigers van Hem, die geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen.

De Bijbelse instelling van het Heilig Avondmaal was vervangen door het afgodische misoffer. De roomse priesters beweerden dat ze met hun zinloos gemompel het eenvoudige brood en de wijn veranderden in het ware “lichaam en bloed van Christus” . Met godslasterlijke aanmatiging eigenden zij zich openlijk de macht toe om God, de Schepper van alle dingen, te scheppen. Van alle christenen werd op straffe des doods geëist dat ze zouden geloven in deze gruwelijke, hemeltergende ketterij. Talloze mensen die weigerden dat te doen, werden aan de vlammen prijsgegeven.

In de dertiende eeuw werd het vreselijkste werktuig van het pausdom in gebruik genomen: de inquisitie. De vorst van de duisternis werkte samen met de leiders van de pauselijke hiërarchie. In hun geheime beraadslagingen beheersten Satan en zijn engelen de geesten van de mensen terwijl ongemerkt een engel van God in hun midden was en het vreselijke verslag van hun schandelijke besluiten opmaakte en de geschiedenis optekende van daden die te vreselijk zijn om door de ogen van mensen te worden gezien.

Het grote Babylon was dronken van het bloed der heiligen

Het lot van de mensen, voor tijd en eeuwigheid, scheen in zijn handen te zijn. Honderden jaren lang werden de leerstellingen van Rome overal onvoorwaardelijk aanvaard; haar riten werden in ere gehouden en haar feesten werden algemeen gevierd. Haar geestelijkheid werd geëerd en met milde hand gesteund.

De Heilige Schrift was zo goed als onbekend, niet alleen bij het volk, maar ook bij de priesters. Zoals de Farizeeën van vroeger haatten de roomse leiders het licht dat zonden zou openbaren. Daar Gods wet, de maatstaf van gerechtigheid, opzij was geschoven, hadden ze een onbegrensde macht en gaven ze zich over aan een ongebreidelde goddeloosheid.

De toestand van de wereld onder rooms katholieke heerschappij was een verschrikkelijke en treffende vervulling van de woorden van de profeet Hosea: (Hosea 4:6, 1,2)

Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u (…) daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonden vergeten.  Er is geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods in het land. Vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken! Men pleegt geweld, bloedbad volgt op bloedbad.

Dat waren de gevolgen van het verbieden van Gods Woord.