Uitstel uit barmhartigheid

Het uitstel om naar Lazarus te gaan had voor Christus tot doel, barmhartig te kunnen zijn tegenover de mensen die Hem niet hadden aangenomen. Hij liet op Zich wachten, zodat Hij door de opwekking van Lazarus uit de dood nog een bewijs kon geven aan Zijn hardnekkige en ongelovige volk. Hij is werkelijk “de opstanding en het leven”. Hij was niet van plan alle hoop voor dit volk te laten varen, deze arme, dwalende schapen van het huis Israël. Zijn hart brak, omdat zij niet tot inkeer wilden komen. In Zijn barmhartigheid wilde Hij hen nog eenmaal bewijzen, dat Hij de Hersteller was, de Enige die leven en onsterfelijkheid kon brengen. Dit moest een bewijs worden, wat niet door de priesters verkeerd zou kunnen worden uitgelegd. Dat was de reden voor Zijn uitstel om naar Bethanië te gaan.

Deze kroon op Zijn wonderen, de opwekking van Lazarus, moest Gods zegel op Zijn werk zetten, en op Zijn bewering, dat Hij God was.

Jezus verrichtte onderweg naar Bethanië, zoals Hij gewoon was, Zijn dienst aan zieken en mensen die in nood waren. Toen Hij het stadje bereikte, stuurde Hij een boodschapper naar de zusters met het bericht, dat Hij in aantocht was. Christus ging niet meteen hun huis binnen, maar bleef wachten op een rustige plek langs de weg. Het grote uiterlijke vertoon, dat door de Joden in acht genomen werd, wanneer familie of vrienden stierven, was niet in overeenstemming met de geest van Christus. Hij hoorde het gehuil van de ingehuurde rouwklagers, en Hij wilde de zusters niet in de verwarring van dit gebeuren ontmoeten. Onder de rouwende vrienden waren familieleden. Sommigen van hen bekleedden verantwoordelijke posities in Jeruzalem. Sommige van de bitterste vijanden van Christus bevonden zich onder hen. Christus kende hun bedoelingen, en daarom maakte Hij Zich niet dadelijk bekend.

De boodschap werd zo zachtjes aan Martha doorgegeven, dat de anderen in de kamer het niet hoorden. Door verdriet overmand, hoorde Maria niet wat er gezegd werd. Martha stond direct op en ging naar buiten om haar Heer te ontmoeten. Maria dacht, dat zij naar de plek was gegaan, waar Lazarus begraven was. Zij bleef in stilte zitten met haar verdriet, en gaf geen geluid.

Martha haastte zich om Jezus te ontmoeten. In haar hart vochten verschillende emoties om voorrang. In Zijn gezicht las ze dezelfde tederheid en liefde als altijd. Haar vertrouwen in Hem was ongebroken, maar ze dacht aan haar innig geliefde broer. Jezus had toch ook van hem gehouden. Verdriet welde in haar hart omhoog, omdat Christus niet eerder was gekomen. Maar toch met de hoop, dat Hij zelfs nú nog iets zou kunnen doen om hen te troosten, zei ze:

“Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.”

De zusters hadden deze woorden te midden van het tumult van de rouwklagers keer op keer herhaald. Met zowel menselijk als goddelijk medelijden keek Jezus in haar bedroefde, door zorgen getekende gezicht. Martha had niet de behoefte het verleden op te halen. Ze had alles al gezegd in de smartelijke woorden: “Heere, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Maar terwijl ze in Zijn liefdevolle gezicht keek, zei ze:

“…maar ook nu weet ik dat God U alles wat U van God vraagt, geven zal.”

Jezus stimuleerde haar in haar geloof en zei:

“Uw broer zal weer opstaan.”

Zijn antwoord was niet bedoeld om hoop op een onmiddellijke verandering te wekken. Hij droeg de gedachten van Martha verder dan het directe herstel van haar broer, en richtte deze op de wederopstanding van de rechtvaardigen. Hij deed dit, opdat zij zou zien, dat de opstanding van Lazarus een belofte was, dat alle rechtvaardige doden zullen opstaan. Het was ook een verzekering, dat de macht van de Heiland hiertoe in staat is. Martha antwoordde:

“Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.”

Jezus probeerde nog steeds haar geloof in de juiste richting te buigen. Hij zei: “Ik ben de Opstanding en het Leven.” In Christus is leven: oorspronkelijk, niet aan een ander ontleend, niet van een ander afgeleid.

“Wie de Zoon heeft, heeft het leven.” 1 Johannes 5:12

Het feit, dat Christus God is, geeft de gelovige de verzekering, dat hij eeuwig mag leven.

“Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft u dat?”

Christus kijkt hier vooruit naar het moment van Zijn tweede komst. Dan zullen de rechtvaardige doden onvergankelijk worden opgewekt. En de rechtvaardigen die dan leven, zullen naar de hemel worden overgebracht zonder de dood te hoeven zien. Jezus stond op het punt een wonder te doen. Hij zou Lazarus uit de doden opwekken. Maar dit wonder staat voor de wederopstanding van alle rechtvaardige doden. Door Zijn woorden en handelen toonde Hij aan, dat Hij de wederopstanding mogelijk gemaakt heeft. Hij, die spoedig daarna Zelf zou sterven, stond daar met de sleutels van de dood in Zijn handen, als Overwinnaar over het graf. En Hij bevestigde Zijn recht en Zijn macht om eeuwig leven te geven.

 

(wordt vervolgd)