De Tijd der Benauwdheid

In onze vorige Studie Bijbelse Profetieën zijn we geëindigd dat Gods kinderen altijd omringd zijn door vijanden die het op hun vernietiging gemunt hebben. Gods kinderen weten vanuit het Woord dat ze niet bevreesd hoeven te zijn voor de vervolgingen ter wille van de Waarheid. Hun angst zal zijn dat ze bang zijn niet elke zonde beleden te hebben. Dat ze op Gods belofte geen aanspraak kunnen maken; “Ik zal u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal.” (Openbaring 3:10)

Gewapend voor de strijd; wapenrusting Gods

Als ze zeker wisten dat al hun zonden waren vergeven, zouden ze niet terugschrikken voor martelingen of voor de dood, maar als ze onwaardig bleken te zijn en hun leven door eigen karakterfouten verloren, zou Gods heilige naam worden besmeurd. Overal horen ze geruchten van samenzwering en verraad en ze zien hoe de rebellie om zich heen grijpt. Ze gaan daardoor vurig verlangen naar het einde van de grote afval en de boosheid van de goddelozen. Ze smeken God om de rebellie in bedwang te houden, maar komen met een schrijnend gevoel van zelfverwijt tot de conclusie dat ze zelf geen kracht meer hebben om de machtige vloedgolf van het kwaad in de dammen en terug te dringen. Ze beseffen dat als ze hun talenten altijd in dienst van Christus hadden gesteld en er voor hadden gezorgd dat ze van dag tot dag beter gewapend waren voor de strijd, Satan minder hardhandig tegenover hen zou kunnen optreden.

Zij verootmoedigen hun ziel voor God, wijzen op hun berouw over hun vele zonden in het verleden en doen een beroep op de belofte van de Heiland: (Jesaja 27:5)

“Laat men zich liever aan Mijn macht vastklampen,
laat men vrede met Mij sluiten; vrede moet men met Mij sluiten.”

Vastklampen aan Gods kracht zoals Jacob zich vastklampte aan de Engel

Ze geven hun geloof niet op wanneer hun gebeden niet onmiddellijk worden verhoord. Ondanks hun grote angst, ondanks de verschrikkingen en de wanhoop blijven ze toch bidden. Ze klampen zich vast aan Gods kracht zoals Jacob zich had vastgeklampt aan de Engel en ze zeggen net zoals hij:

“Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent.”

Als Jacob niet van tevoren aan God had gezegd dat hij berouw had over zijn onrechtmatige daad bij het verkrijgen van het eerstgeboorterecht, zou God zijn gebed niet hebben verhoord en zijn leven niet genadig hebben gespaard. Als Gods kinderen in de tijd der benauwdheid, wanneer ze al door vrees en angst worden gekweld, nog onbeleden zonden zouden hebben, zouden ze bezwijken. De wanhoop zou hun geloof ondermijnen en ze zouden niet in vertrouwen tot God kunnen gaan om Hem te smeken of Hij hen zou willen verlossen. Maar hoewel ze zich ten volle bewust zijn van hun onwaardigheid hebben ze geen verborgen zonden te belijden. Hun zonden zijn van tevoren in het oordeel gegaan en zijn uitgedelgd en zij kunnen die zich niet meer herinneren.

Voorbereiding op de dag des Heren

Door Satans misleidingen geloven velen dat God hun ontrouw in kleine dingen niet erg vindt, maar in zijn handelen met Jacob laat de Here zien dat Hij het kwaad op geen enkele voorwaarde goedkeurt of duldt. Allen die hun eigen zonden willen goedpraten of verbergen en ze in de boeken des hemels laten staan zonder ze te belijden en er geen vergiffenis voor vragen, zullen door Satan worden overwonnen.

Hoe vromer ze zich voordoen en hoe hoger de positie is die ze bekleden, des te verwerpelijker is hun handelswijze in Gods oog en des te zekerder is de overwinning van de grote tegenstander. Wie zich nu niet voorbereidt op de dag des Heren, zal dat in de tijd der benauwdheid of daarna ook niet kunnen doen. Zulke mensen zijn reddeloos verloren.

Zulke mensen, die zich wel christenen noemen, maar zich niet willen voorbereiden op de laatste verschrikkelijke strijd, zullen in hun wanhoop hun zonden belijden met woorden die getuigen van een vreselijke angst. De goddelozen zullen zich dan verheugen over hun nood. Deze schuldbelijdenissen zijn zoals die van Esau of Judas: ze jammeren wel over het gevolg van de overtreding, maar niet over de schuld zelf. Ze hebben niet echt spijt van hun daden en verafschuwen het kwaad niet. Ze erkennen hun zonde uit vrees voor de straf, maar ze zouden zoals Farao in het verleden een even uitdagende houding tegenover God aannemen als het vonnis werd vernietigd.

Word vervolgd …