De Tijd der Benauwdheid

Hoe verschrikkelijk de plagen ook zijn, die gaan komen, Gods vonnis is rechtvaardig. De engel Gods roept uit:

Rechtvaardig zijt Gij … dat Gij dit oordeel hebt geveld. Omdat zij het bloed der heiligen en der profeten vergoten hebben, hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; zij hebben het verdiend!” Openbaring 12:2-6

Schuld aan bloed vergieten …

Ze hebben Gods volk ter dood veroordeeld en hebben door hun vonnis evenzeer de schuld van hun bloed op zich geladen als wanneer ze het met eigen handen hadden vergoten. Jezus verklaarde de Joden van Zijn tijd ook schuldig aan al het bloed van de heiligen dat vergoten was sinds de dagen van Abel, want de Joden waren met dezelfde geest bezield en wilden dezelfde misdaden plegen als de moordenaars van de profeten.

Bij de volgende plaag worden de mensen door de zon verschroeid.

“En de mensen werden verzengd door de grote hitte … ” vers 8,9

De profeten beschrijven de toestand van de aarde in die verschrikkelijke tijd met de volgende woorden:

“Verwoest is het veld; de aardbodem die treurt … want de oogst van het veld is verloren gegaan … alle bomen des velds zijn verdord. Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht.”

“Verschrompeld zijn de zaadkorrels onder haar aardkluiten; verwoest zijn de voorraadschuren … Hoe kreunt het vee! De runderkudden dolen rond, want er is voor hen geen weide … de waterbeken zijn uitgedroogd en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.”

“De tempelzangen worden tot weeklacht op die dag, luidt het woord van de Here HERE. Talrijk zijn de lijken! Allerwegen werpt Hij ze neder! Stil!”

(Joël 1:10-12,17-20; Amos 8:3)

Gemengd met Gods genade en zonder Gods genade

Deze plagen zijn niet algemeen, want anders zouden alle bewoners van de aarde volledig worden uitgeroeid. Toch zijn het de vreselijkste plagen die de mensen ooit hebben meegemaakt. Alle oordelen die de mensheid hebben getroffen vóór het afsluiten van de genadetijd waren ‘gemengd met Gods genade’. Het verzoenend bloed van Christus beschermde de zondaar tegen de volle maat van Zijn straf, maar bij het eindoordeel wordt de gramschap ongemengd uitgestort. Op die dag zullen talloze mensen verlangend uitzien naar Gods genade, die ze zo lang hebben veracht.

Het verzoenend bloed van Christus beschermde de zondaar tegen de volle maat van Zijn straf, maar bij het eindoordeel wordt de gramschap ongemengd uitgestort.

“Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik een honger in het land zal zenden – geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des HEREN te horen. Dan zullen zij zwerven van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten zullen zij dolen, om te zoeken naar het woord des HEREN; maar vinden zullen zij het niet.” Amos 8:11,12

Beschermd door Gods engelen

Gods volk zal ook moeten lijden, maar hoewel ze worden vervolgd en verdrukt, ontbering en honger lijden, zal God hen niet laten omkomen. De God die voor Elia zorgde, zal geen van Zijn offervaardige kinderen in de steek laten. Hij die de haren op hun hoofd telt, zal voor hen zorgen en ze zullen ondanks de hongersnood genoeg te eten hebben. Terwijl de ongelovige van de honger omkomen en door epidemieën sterven, zullen engelen de rechtvaardigen beschermen en ook in hun behoeften voorzien. De belofte aan degenen die ‘in gerechtigheid wandelen‘ luidt:

“Zijn brood is gewis, zijn water verzekerd.”

“De ellendigen en de armen zoeken naar water, maar het is er niet, hun tong verdroogt van de dorst; Ik de HERE, zal hen verhoren; Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.”

(Jesaja 33:15,16; 41:17)

“Al zou de vijgenboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn, nochtans zal ik juichen in de HERE, jubelen in de God van mijn heil.” Habakuk 3:17,18)

“De HERE is uw Bewaarder, de HERE is uw schaduw aan uw rechterhand. De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. De HERE zal u bewaren voor alle kwaad, Hij zal uw ziel bewaren.”

“Want Hij is het, die u redt van de strik des vogelvangers, van de verderfelijke pest. Met zijn vlerken beschermt Hij u, en onder Zijn vleugelen vindt gij een toevlucht; Zijn trouw is schild en pantser. Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht, voor de pijl, die des daags vliegt; voor de pest, die in het duister rondwaart, voor het verderf, dat op de middag vernielt. Al vallen er duizend aan uw zijde, en tienduizend aan uw rechterhand, tot u zal het niet genaken; slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen, en de vergelding aan de goddelozen zien. Want Gij, o HERE, zijt mijn toevlucht. De allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld; geen onheil zal u treffen, en geen plaag zal uw tent naderen.”

(Psalm 121:5-7; 91:3-10)

En toch blijven ze vurig bidden

Toch zullen de mensen denken dat Gods kinderen, zoals de martelaren vóór hen, spoedig hun getuigenis met hun bloed zullen moeten bezegelen. Zijzelf zullen vrezen dat de HERE hen in de steek heeft gelaten en hen heeft overgeleverd aan hun vijanden. Het is een tijd van vreselijke angst. Dag en nacht smeken zij God om hen te verlossen. De goddelozen verheugen zich en vragen spottend: ‘Hoe staat het nu met jullie geloof? Waarom verlost God jullie niet uit onze handen; jullie zijn toch zijn kinderen?’ Maar zij die op hun verlossing wachten, zullen zich Jezus’ kruisiging op Golgotha herinneren, toen de overpriesters en oudsten ook spottend opmerkten: ‘Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Hij is Israëls Koning; laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen aan Hem geloven.’ (Mattheüs 27:42) Allen zullen zoals Jacob met God worstelen. Hun gezicht is bleek en het drukt hun innerlijke strijd uit. En toch blijven ze vurig bidden.

Wordt vervolgd …