“Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was, als de wet niet zei: U zult niet begeren.” – Romeinen 7:7

De verbazingwekkende verandering van Paulus

Paulus zegt dat hij ‘met betrekking tot de wet’ -voor zover uiterlijke daden aangaat-  vlekkeloos was, maar toen hij de geestelijke strekking van de wet zag, toen hij in de heilige spiegel zag, ontdekte hij zichzelf als zondaar. Naar menselijke maatstaven beoordeeld, had hij afstand gedaan van de zonde, maar toen hij in de diepte van Gods wet zag en zich ontdekte zoals God hem zag, boog hij zich ootmoedig en beleed zijn schuld.

Hij ging niet van de spiegel heen en vergat wat voor man hij was, maar hij toonde oprecht berouw jegens God en geloof in onze Here Jezus Christus. Hij werd gewassen en gereinigd. Hij zegt: ‘Ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren. Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder de wet is de zonde dood. Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven.’

Zonde werd toen openbaar in al haar ware afschuwelijkheid en zijn gevoel van eigenwaarde was verdwenen. Hij werd nederig. Niet langer schreef hij goedheid en verdienste aan zichzelf toe. Hij dacht niet langer beter van zichzelf dan hij behoorde te doen en schreef alle heerlijkheid aan God toe. Niet langer streefde hij naar grootheid. Hij stopte met de wens zichzelf te wreken en was niet langer gevoelig voor smaad, veronachtzaming of verachting. Niet langer zocht hij aardse verbondenheid, positie of eer. Hij trok anderen niet naar beneden om zelf hogerop te komen. Hij was zachtmoedig, minzaam en nederig van hart, omdat hij zijn les had geleerd in de school van Christus.

Hij sprak over Jezus en diens mateloze liefde en werd meer en meer aan Zijn beeld gelijkvormig. Hij gebruikte al zijn energie om zielen voor Christus te winnen. Toen beproeving hem trof als gevolg van zijn onzelfzuchtige arbeid voor zielen, boog hij zich neer in gebed en zijn liefde voor hen groeide. Zijn leven was met Christus verborgen in God en hij had Jezus lief met al het vuur van zijn natuur. Elke gemeente was hem dierbaar; elk gemeentelid iemand van belang voor hem; want hij beschouwde iedere ziel als gekocht door het bloed van Christus.

Gods wet niet gestorven

Bij het verhalen van zijn ervaring geeft de apostel Paulus een belangrijke waarheid weer betreffende het werk dat door bekering moet plaats vinden. Hij zegt: ‘Ik heb eertijds geleefd zonder wet’ -hij voelde geen veroordeling; ‘toen echter het gebod kwam’, toen Gods wet tot zijn geweten sprak, ‘begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven.’  Toen zag hij zich als een zondaar, veroordeeld door de goddelijke wet.

LET WEL, HET WAS PAULUS DIE STIERF, NIET DE WET.