Onze Heiland veroordeelde eigen gerechtigheid. Hij onderwees Zijn discipelen dat de meest verheven vorm van godsdienst zich openbaart in een rustige, onopvallende handelwijze. Hij waarschuwde ze hun daden van weldadigheid in stilte te doen en niet in het openbaar om door mensen geprezen of geëerd te worden, maar tot eer van God, die hen later zou belonen. Als ze hun goede daden zouden doen om door mensen geprezen te worden, zou hun hemelse Vader hen niet belonen. De volgelingen van Christus werden onderricht niet te bidden om door de mensen gehoord te worden.

“Als gij bidt, ga in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bid tot uw Vader die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal u in het openbaar vergelden.” Matt. 6:6

Dergelijke uitspraken uit de mond van Christus tonen aan dat Zijn goedkeuring niet rustte op die uiting van vroomheid, welke de Farizeeën kenmerkte. Zijn bergprediking toonde aan dat goede werken een edele betekenis krijgen en dat ware eredienst een weldadige uitwerking heeft, wanneer dit alles boetvaardig en nederig gebeurt. Een zuivere drijfveer heiligt de daad. Ware heiligmaking is een volkomen instemmen met de wil van God. Opstandige gedachten en gevoelens zijn overwonnen, en de stem van Jezus verwekt een nieuw leven, dat zich uitstrekt tot het hele wezen. Zij die werkelijk geheiligd zijn, zullen geen eigen maatstaf bepalen voor goed en kwaad. Zij zijn niet fanatiek of eigen gerechtigd, maar ze zien op zichzelf, bevreesd dat ze, ondanks de hun gegeven belofte, niet zullen beantwoorden aan de voorwaarden waarop de beloften zijn gebaseerd.