Onze Heiland was het Licht der wereld, maar de wereld kende Hem niet. Voortdurend was Hij bezig met zijn daden van genade en deed het licht schijnen op ieders pad. Toch vestigde Hij niet de aandacht op hen, met wie Hij omging, op Zijn voorbeeldige deugdzaamheid, zelfverloochening, zelfopoffering en weldadigheid. De Joden hadden geen bewondering voor zo’n leven.  Ze beschouwden Zijn godsdienst als waardeloos, omdat deze niet overeenkwam met hun maatstaf van vroomheid. Ze bepaalden dat Christus in geest en karakter niet godsdienstig was. Hun godsdienst bestond immers uit vertoon, bidden in het openbaar, en het doen van daden van liefdadigheid om bewondering te oogsten. Ze bazuinden hun goede daden uit, zoals ook zij doen die zich beroemen op heiligmaking. Ze wilden, dat allen begrepen dat ze zonder zonde waren. Maar het leven van Christus was in lijnrechte tegenstelling met dit alles. Hij zocht geen gewin of ijdele eer. Zijn wonderbare daden van genezing werden verricht op een zo min mogelijk in het oog vallende wijze, hoewel Hij het enthousiasme van hen, die Zijn genezingen ontvingen niet kon weerhouden. Nederigheid en zachtmoedigheid karakteriseerden Zijn leven. Precies om Zijn eenvoudige wandel en onopvallende handelwijze, die in zo duidelijke tegenstelling waren met de hunne, weigerden de Farizeeën Hem te aanvaarden.