Onder de spijzen die op de tafel van de koning stonden, bevonden zich varkensvlees en andere spijzen, die door de wet van Mozes onrein verklaard waren, en die de Hebreeën absoluut niet mochten eten. Hier kwam Daniël voor een zware toets te staan. Zou hij vasthouden aan de leer van zijn volk betreffende eten en drinken en de koning beledigen, met als gevolg het mogelijk verlies, niet alleen van zijn positie, maar ook van zijn leven? Of zou hij het gebod van God veronachtzamen en in de gunst van de koning blijven, met als gevolg goede vooruitzichten op werelds gebied? Daniël aarzelde niet lang. Hij besloot stand te houden in oprechtheid, wat de gevolgen ook mochten zijn.

“Hij nam zich voor in zijn hart zich niet te verontreinigen met de koninklijke spijze of de wijn die de koning placht de drinken.” Dan. 1:8