Daniël had een aanvaardbaar excuus kunnen aanvoeren, om zijn strikte levensgewoonten los te laten, maar de goedkeuring van God was hem meer waard dan gunst van de machtigste aardse vorst, meer zelfs dan zijn eigen leven. Nadat hij door zijn hoffelijke houding gunst had verkregen bij Melzar, de hoveling die belast was met het toezicht op de Hebreeuwse jongelingen, verzocht Daniël vrijgesteld te mogen worden van het koninklijk voedsel en van het drinken van zijn wijn. Melzar vreesde, dat hij, als hij toegaf aan dit verzoek, hij de ongenade van de koning op zich zou laden, en zo zijn leven in gevaar zou brengen. Evenals velen in onze tijd, dacht hij dat een matig dieet deze jonge mannen bleek en ziekelijk van uiterlijk zou maken en hun krachten zou verzwakken, terwijl hij het overvloedig eten van de tafel van de koning hen gezond en knap zou maken, dat ze er lichamelijk en geestelijk op vooruit zouden gaan. Daniël vroeg om een proeftijd van tien dagen waarin de Hebreeuwse jongelui veroorloofd zou worden eenvoudig voedsel te gebruiken, terwijl hun metgezellen van de lekkernijen van de koning nuttigden. Ten slotte werd het verzoek toegestaan. Toen wist Daniël, dat hij de zaak gewonnen had. Hoewel hij nog jong was, had hij de nadelige gevolgen van wijn en overdadig leven op de lichamelijke en geestelijke gezondheid gezien.