Opnieuw schrijft de apostel Paulus aan de gelovigen:

“Ik vermaan u dan broeders, met een beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst.” Rom. 12:1

Speciale aanwijzingen waren aan Israël gegeven dat geen ziekelijk of gebrekkig dier als een offer aan God gebracht mocht worden. Alleen de volmaakte dieren werden voor dit doel uitgezocht. De Heer bestrafte door Zijn profeet Maleachi op ernstige wijze Zijn volk, omdat ze afgedwaald waren van deze aanwijzingen.

“Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. Indien Ik nu een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En indien Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de Here der heerscharen tot u, o priesters, die Mijn naam verachten. En dan zegt gij: Waarmee verachten wij U naam? Gij brengt minderwaardige offerspijzen op Mijn altaar. En dan zegt gij: Waarmee hebben wij U minderwaardig behandeld? Doordat gij zegt: Des Heren tafel, zij is verachtelijk. Want, wanneer gij een blind dier ten offer brengt, is dat niet erg? Wanneer gij een kreupel of ziek dier brengt, is dat niet erg? Bied dat eens uw landvoogd aan; zal hij welgevallen aan u hebben, of u goedgunstig gezind zijn? zegt de Here der heerscharen… Gij brengt het geroofde, het kreupele en het zieke. Als gij dat ten offer brengt, zou Ik het uit uw hand met welgevallen aannemen? zegt de Here”
Maleachi. 1:6, 8, 13

Hoewel deze woorden gericht waren tot het oude Israël, bevatten ze een les voor Gods volk van nu. Wanneer de apostel zijn broeders oproept hun lichamen “te stellen tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer,” brengt hij de beginselen van ware heiligmaking naar voren. Dit is niet alleen een theorie, een gevoel, of een uiting van woorden, maar een levend, actief beginsel, dat in het leven van alle dag naar voren komt. Heiligmaking vereist dat onze gewoonten van eten, drinken en kleden zodanig zullen zijn dat ze dienen tot bescherming van lichamelijke, verstandelijke en geestelijke gezondheid, zodat we ons lichaam God mogen aanbieden, niet als een offer, mismaakt door verkeerde gewoonten, maar als een levend, heilig, Gode welgevallig offer.