Zijn eeuwig voorbestaan

“En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.” Johannes 17:5

Christus was één met de Vader vóór de grondlegging van de wereld. Dit is het Licht dat schijnt in een donkere plaats, het verlichtend met een goddelijke oorspronkelijke heerlijkheid. Christus is de in Zichzelf bestaande Zoon van God… Door van Zijn vóórbestaan te spreken, voert Christus de gedachten terug door tijdloze eeuwen. Hij verzekert ons, dat er nooit een tijd geweest is, dat Hij niet nauw verbonden was met de Eeuwige God.

Zijn goddelijk leven kan niet worden becijferd door menselijke berekening. Het bestaan van Christus, voorafgaand aan Zijn vleeswording, kan niet door getallen worden gemeten.

Christus was in Zijn wezen, in de hoogste betekenis daarvan, God.

Hij was met God vanaf alle eeuwigheid, God over al het geschapene, gezegend in alle eeuwigheid. De Here Jezus Christus, de goddelijke Zoon van God, bestond vanaf de eeuwigheid; een te onderscheiden Persoon en toch één met de Vader. Hij was de alles overtreffende heerlijkheid des hemels. Hij was de aanvoerder van de geestelijke wezens. De aanbiddende eerbetuiging van de engelen mocht Hij ontvangen als Zijn recht.

Hij was gelijk aan God; oneindig en almachtig.

Maar Hij vernederde Zichzelf en nam de sterfelijkheid aan. Als lid van het menselijk gezin was Hij sterfelijk, maar als God was Hij de bron des levens voor de wereld. Hij kon in Zijn goddelijk persoon altijd de aanvallen van de dood weerstaan en Hij kon weigeren onder haar heerschappij te komen. Maar Hij legde vrijwillig Zijn leven af, zodat Hij, door dit te doen, het leven en de onsterfelijkheid aan het licht zou brengen. Hij droeg de zonden van de wereld en doorstond de straf, die zich als een berg op Zijn goddelijke ziel stortte. Hij gaf Zijn leven als een offerande, zodat de mensen niet voor eeuwig sterven zouden. Hij stierf, niet omdat Hij gedwongen werd te sterven, maar uit Zijn eigen vrije wil.

Dit wonderbare geheim, de vleeswording van Christus en de verzoening die Hij tot stand bracht, moet worden verklaard aan iedere zoon en aan iedere dochter van Adam.