Hemels licht had koning Nebukadnezar beschenen, en gedurende enige tijd werd hij beïnvloed door de vreze Gods. Maar enkele jaren van voorspoed vulde zijn hart met trots en hij vergat zijn erkentelijkheid aan de levende God. Hij hervatte zijn aanbidding van afgoden met hernieuwde ijver en overgave. Van de schatten buitgemaakt tijds oorlogen, maakte hij een gouden beeld dat een voorstelling gaf van het beeld uit zijn droom, en hij plaatste het in het dal Dura. Hij gaf bevel aan alle oversten en heel het volk om het te aanbidden, op straffe des doods. Dit beeld was omstreeks dertig meter hoog en drie meter  breed, en in de ogen van het afgodisch volk vormde het een uiterst indrukwekkend en majestueus beeld. Alle beambten in het rijk kregen het bevel samen te komen bij de inwijding van het beeld, en om bij het geluid van muziekinstrumenten neer te buigen en het te aanbidden. Als iemand dit zou weigeren, zou hij onmiddellijk in een vurige oven geworpen worden.

De vastgestelde dag brak aan en een grote menigte had zich verzameld, toen de koning werd medegedeeld dat de drie Hebreeën, die hij over de provincie Babylon had aangesteld, weigerden het beeld te aanbidden. Het waren de drie vrienden van Daniël, die van de koning de namen Sadrach, Mesach en Abednego hadden gekregen. Woedend liet de koning ze roepen, en terwijl hij op de brandende oven wees, herinnerde hij ze aan de straf die hen wachtten als ze weigerden zijn wil te doen.