De dreigementen van de koning bleken tevergeefs. Hij kon deze edele mannen niet afhouden van hun trouw aan de grote Heerser der natiën. Ze hadden uit de geschiedenis van hun voorvaderen geleerd dat ongehoorzaamheid aan God oneer, onheil en ondergang betekent, en dat de vreze deze Heren niet alleen het begin der wijsheid betekent, doch tevens de grondslag is van alle voorspoed. Rustig keken ze naar de brandende oven en naar de afgodische menigte. Ze hadden op God vertrouwd, en Hij zou hen ook nu niet in de steek laten. Hun antwoord was beleefd, maar vastbesloten:

Het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden.”Daniël 3:18

De trotse vorst werd omringd door voorname mannen, zijn bestuurders en het leger dat volken had overwonnen. Allen bejubelden hem eensgezind alsof hij de wijsheid en de macht der goden bezat. Te midden van dit tumult stonden drie jeugdige Hebreeën, standvastig weigerend het bevel van de koning te eerbiedigen. Ze hadden gehoorzaamd aan de wetten van Babylon zolang deze niet in botsing kwamen met de eisen van God, maar ze wilden echter geen beding afwijken van de plicht die ze hun Schepper verschuldigd waren.

De woede van de koning kende geen grenzen. Op het hoogtepunt van zijn macht en heerlijkheid zó getrotseerd te worden door de vertegenwoordigers van een veracht en gevangen genomen volksstam, was een belediging die zijn trotse geest niet kon verkroppen. De brandende oven werd zeven maal heter gestookt dan normaal en de Hebreeën werden erin geworpen. Zo fel waren de vlammen, dat de mannen die hen in de oven wierpen, omkwamen door de hitte.