Toen het einde naderde van de zeventigjarige ballingschap, werd de geest van Daniël vooral gericht op de profetieën van Jeremia. Hij zag dat de tijd nabij was waarin God Zijn volk een nieuwe kans zou geven. Met vasten, vernedering en gebed naderde hij tot de God des hemels ten behoeve van Israël, met de volgende woorden:

“Ach Here, gij grote en geduchte God, die vasthoudt aan het verbond, en de goedertierenheid jegens hen die U liefhebben en Uw geboden bewaren; wij hebben gezondigd en misdreven, wij hebben goddeloos gehandeld en zijn wederspannig geweest; wij zijn afgeweken van Uw geboden en van Uw verordeningen, en wij hebben niet geluisterd naar Uw knechten, de profeten, die in Uw naam gesproken hebben tot onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, en tot het ganse volk des lands.” Daniël 9:4-6

Daniël noemde niet zijn eigen trouw aan God. In plaats van te beweren zuiver en heilig te zijn, vereenzelvigt deze geliefde profeet zich nederig met het werkelijk zondige volk Israël. De wijsheid die God hem geschonken had, stond ver boven de wijsheid van de groten der aarde, zoals het licht van de zon ‘s middag om twaalf uur veel helderder schijnt dan het licht van de zwakste ster. Maar overdenk nog eens het gebed afkomstig van de lippen van deze man, die zo hoog door de hemel begenadigd werd. In diepe nederigheid, met tranen en een gebroken hart, pleitte hij voor zichzelf en voor zijn volk. Hij opende zijn ziel voor God, beleed zijn eigen onwaardigheid, en erkende de grootheid en de majesteit des Heren