Johannes maakte nog mee dat het evangelie overal verkondigd werd en dat duizenden deze onderwijzingen aannamen met heel hun hart. Maar hij werd vervuld met droefheid toen hij zag dat verderfelijke dwalingen de gemeente binnenslopen. Sommigen die Christus aanvaarden, beweerden dat Zijn liefde hen bevrijdde van de gehoorzaamheid aan de wet van God. Anderzijds beweerden velen dat de letter van de wet gehoorzaamd moest worden, dus ook de Joodse gebruiken en ceremoniƫn, en dat dit voldoende was voor de zaligheid, zonder het bloed van Christus. Ze zagen in dat Jezus een goed mens was, evenals de apostelen, maar ze loochenden Zijn godheid. Johannes zag de gevaren waaraan de gemeente blootgesteld zou worden als ze deze gedachten zouden aanvaarden. Hij ging er met kracht en beslistheid tegenin. Hij schreef aan een respectabele medearbeider in het evangelie, een vrouw met een goede reputatie en grote invloed:

“Er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden. Dit is de misleider en de antichrist. Let op uzelf, dat gij niet verliest wat wij verricht hebben, maar uw loon ten volle ontvangt. Een ieder die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in deze leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon. Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. Want wie hem welkom heet, heeft deel aan zijn boze werken.” 2 Johannes 7-11