Johannes genoot van de zegening van ware heiligmaking. Maar let wel, de apostel beweert niet zonder zonden te zijn. Hij zoekt volmaaktheid door te wandelen in het licht van Gods aanschijn. Hij getuigt dat de mens, die voorgeeft God te kennen en toch Zijn goddelijke wet overtreedt, van zijn belijdenis een leugen maakt.

“Hij die zegt, ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar, en de waarheid is niet in hem.” 1 Johannes 2:4

In deze tijd van vrijzinnigheid worden deze woorden misschien wel als intolerant beschouwd. Maar de apostel leert dat, hoewel we christelijke hoffelijkheid moeten nastreven, we de zonde en de zondaars bij de naam mogen noemen – dat dit in overeenstemming is met ware liefde. Hoewel we de zielen waarvoor Christus stierf moeten liefhebben en moeten werken voor hun redding, mogen we geen compromis sluiten met de zonde. We mogen ons niet verenigen met de tegenstanders en dit liefde noemen. God eist in deze tijd, evenals Johannes in zijn tijd, dat Zijn volk opkomt voor het recht om zielsvernietigende dwalingen te bestrijden.