Hij is geen aannemer des persoons

“En Petrus opende zijn mond en zeide: Inderdaad bemerk ik, dat er bij God geen aanneming des persoons is, maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig…” Handelingen 10:34,35

God is geen aannemer des persoons… Degenen die, alhoewel zij het licht hebben, het niet volgen, maar in plaats daarvan de eisen van God veronachtzamen, zullen ondervinden, dat hun ontvangen zegeningen zullen veranderd worden in vervloekingen en hun ontvangen barmhartigheden in oordelen.

God beschouwt niet alle zonden als van gelijke grootte. Er zijn in Zijn wijze van schatten graden van schuld, evenals in het oordeel van de mens. Maar hoe onbelangrijk dit of dat kwaad ook mag voorkomen in de ogen van de mensen, in Gods oog is er geen kleine zonde. Het oordeel van de mens is partijdig en onvolmaakt. Maar God schat alle dingen zoals zij in waarheid zijn.

De dronkaard wordt bij de mensen veracht en men zegt hem dat zijn zonde hem uitsluit van de hemel; terwijl trots, zelfzucht, begeerte maar al te vaak niet berispt worden. Toch zijn dit zonden die zijn tegengesteld aan de goedheid van Zijn karakter, aan Zijn onzelfzuchtige liefde, die de sfeer aangeeft waarin de niet-gevallen werelden leven.

De buitengewone zondigheid van de zonde kan alleen bij het licht van het kruis gemeten worden. Als de mensen de gedachte voorstaan, dat God te goed is om de zondaar van Zich te stoten, laten zij dan zien op Golgotha. Dit geschiede omdat er geen andere weg was langs welke de mens zou kunnen worden verlost, omdat zonder dit Offer de mensheid onmogelijk zou kunnen ontkomen aan de verderfelijke macht van de zonde, en om herschapen te worden, ten einde weer gemeenschap met heilige wezens te hebben.

Omdat zonder dit Offer het onmogelijk is voor de mens weer deel te krijgen aan het geestelijke leven, nam Christus de schuld op Zich en leed de straf van de zondaar. De liefde, het lijden en de dood van Gods Zoon getuigen hoe verschrikkelijk groot de zonde is. Zij verklaren dat het niet mogelijk is aan de macht ervan te ontkomen, geen hoop op een hoger leven, dan alleen door de onderwerping van de ziel aan Christus.

Laat de ziel worden opgeheven vanuit de diepten van de zonde, om God in al Zijn goedheid, Zijn genade en Zijn liefde te zien, maar Die in geen geval de schuldige onschuldig zal verklaren.