De wet van God tegenover de wet van het eigen ik

Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden. maar de wet is erbij gekomen, zodat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden.

Romeinen 5:19,20

Adam koos niet in gedachten voor opstandigheid tegen God, en hij sprak God ook op geen enkele manier tegen; hij ging eenvoudigweg rechtstreeks tegen Zijn uitdrukkelijk gebod in. Hoevelen doen tegenwoordig niet precies het-zelfde, en hun schuld is veel groter, omdat zij – als waarschuwing voor de gevolgen van het overtreden van de wet van God – het voorbeeld hebben van hetgeen Adam door zijn ongehoorzaamheid is overkomen. Zij hebben op dit punt dus helder licht, en hebben daarom geen enkele verontschuldiging voor hun afwijzing van en ongehoorzaamheid aan Gods gezag. Adam stond er niet eerst bij stil om de gevolgen van zijn ongehoorzaamheid te overzien.

Wij staan daar nu anders voor… en met het voordeel van het oordeel achteraf kunnen we zien wat het betekent, Gods geboden ongehoorzaam te zijn. Adam gaf toe aan de verzoeking. En omdat wij de zonde en haar gevolgen zo duidelijk voor ons zien, kunnen wij oorzaak en gevolg onderscheiden. En dan begrijpen we, dat het gewicht van de daad niet uitmaakt of iets zonde is, maar of er sprake is van ongehoorzaamheid aan Gods uitdrukkelijke wil. Dat is feitelijk een ontkenning van God, omdat het Zijn regeringswetten afwijst. Het geluk van de mens ligt in zijn gehoorzaamheid aan de wetten van God. Als hij Gods wet gehoorzaam is, dan is hij omgeven door een haag, en wordt zo behoed voor het kwaad. Niemand kan gelukkig zijn als hij afstand neemt van specifieke eisen die God stelt, en dan eigen maatstaven aanlegt en besluit, dat hij die veilig kan naleven. Dan zouden er voor elk wat wils allerlei maatstaven gelden. Dan zou God de regering uit handen worden genomen en zouden mensen de macht grijpen. De wet van het eigen ik wordt dan ingevoerd en de menselijke wil komt bovenaan te staan. En als dan de hoge en heilige wil van God naar voren wordt gebracht, om die te gehoorzamen, te eerbiedigen en te eren – dan drijft de wil van de mens haar zin door… en volgt haar eigen impulsen, en er ontstaat een strijd tussen de mens en God.

De val van onze eerste voorouders verbrak de gouden keten van vanzelfsprekende gehoorzaamheid van de menselijke wil aan die van God. Gehoorzaamheid werd vanaf dat moment niet meer als absolute noodzaak gezien. De mensen volgen de overleggingen van hun eigen hart, waar de Heer van de inwoners van de oude aarde heeft gezegd, dat die te allen tijde slechts boos waren. De Here Jezus zegt;

Ik heb de geboden van Mijn Vader bewaard.

Joh. 15:10

Hoe heeft Hij ze kunnen bewaren? Als mens.

Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven; ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste.

Psalm 40:7,8

Hij stond tegenover de beschuldigingen van de Joden pal, met Zijn rein deugdzaam en heilig karakter; en Hij daagde hen uit;

Wie van u overtuigt Mij van zonde?

Joh. 8:46