De belofte van het Nieuwe Verbond

Dit is het verbond, waarmee Ik Mij aan hen verbinden zal na die dagen, zegt de Here: Ik zal Mijn wetten in hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven, en hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken.

Hebreeën 10:16,17

Het is de Schepper van de mens, de Wetgever, die uitspreekt, dat het niet Zijn bedoeling is haar voorschriften opzij te zetten. Alles in de natuur, van het kleinste zonnestraaltje tot de werelden in het heelal, staan onder het gezag van een wet. En de orde en harmonie van de wereld van de natuur hangt af van gehoorzaamheid aan deze wetten. En zo zijn er belangrijke grondbeginselen van gerechtigheid die het leven van alle intelligente wezens beheerst, en het welzijn van het heelal hangt af van het zich conformeren aan deze beginselen.

De wet bestond al, voordat onze aarde tot aanzijn werd geroepen. De engelen worden door haar beginselen geregeerd. En wil de aarde in harmonie zijn met de hemel, dan moet de mens ook de goddelijke inzettingen gehoorzamen. Christus maakte in Eden de voorschriften van de wet bekend,

Terwijl de morgensterren tezamen juichten, en al de zonen Gods jubelden.

Job 38:7

Christus werd niet naar de aarde gezonden om de wet teniet te doen, maar om de mens door Zijn genade terug te voeren tot gehoorzaamheid aan haar voorschriften.

De geliefde discipel, die op de berg naar de woorden van Jezus geluisterd had, spreekt – wanneer hij lang na die tijd onder invloed van de Heilige Geest schrijft – over de wet als een eeuwigdurende verplichting. Hij zegt:

“Zonde is wetteloosheid”, en “een ieder die de zonde doet, doet ook wetteloosheid”

1 Joh. 3:4

Hij maakt duidelijk dat de wet die hij bedoeld “een oud gebod” is “dat gij van den beginne gehad hebt” (1 Joh. 2:7). Hij spreekt over de wet die bij de schepping bestond en die op de berg Sinaï herhaald werd…

Hij (Jezus) zou het geestelijk karakter van de wet tonen, aangeven wat voor verstrekkende grondbeginselen zij had, en haar eeuwige gelding duidelijk maken. O, die goddelijke schoonheid van het karakter van Christus, waarvan de edelste en zachtste voorbeelden onder mensen slechts een zwakke afspiegeling zijn. Waarvan Salomo onder inspiratie van de Geest schreef:

Hij is “uitblinken boven tienduizend…. en alles van Hem is bekoorlijkheid”

Hooglied 5:10,16

Van wie David, die Hem in een profetisch visioen zag, zei:

Gij zijt schoner dan de mensenkinderen

Psalm 45:2

Jezus, de belichaming van het beeld van de Vader, de glans van Zijn heerlijkheid; de Verlosser die Zichzelf gedurende Zijn hele pelgrimstocht van de liefde op aarde verloochende: Hij was de levende vertegenwoordiging van het karakter van de wet van God. In Zijn leven is openbaar geworden, dat liefde die uit de hemel geboren is, en beginselen die ons op Christus doen lijken, onderworpen zijn aan de wetten van eeuwige rechtschapenheid…

Die beginselen, die in het paradijs aan de mens als de grote wet voor ons leven werden bekend gemaakt, zullen in het hersteld paradijs onveranderd geldig blijven.