Iedereen moet met respect behandeld worden

Gij zult uw broeder in uw hart niet haten… Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf.

Leviticus 19:17 ,18

De woorden van de Heiland onthulden voor Zijn toehoorders het feit, dat wanneer zij anderen als overtreders veroordeelden, zijzelf eveneens schuldig waren; want zij koesterden haat en boosaardigheid… Zij koesterden de meest bittere haat tegen hun Romeinse onderdrukkers en voelden zich vrij om alle andere volken te verachten en te haten, en zelfs hun eigen landgenoten die zich niet in alles aan hun opvattingen conformeerden. In dit alles overtraden zij de wet, die zegt:

Gij zult niet doodslaan.

Ex. 20:13

De geest van haat en wraak had als oorsprong satan, en het leidde hem ertoe, de Zoon van God te doden. Wie boosaardigheid of onvriendelijkheid koestert, koestert diezelfde geest… In de wraakzuchtige gedachte is de boze daad in de kiem aanwezig, zoals de plant in het zaadje. In de gave van Zijn Zoon voor onze verlossing heeft God laten zien, hoeveel waarde Hij aan iedere mensenziel hecht, en Hij geeft geen mens de vrijheid om vol verachting over een ander te spreken. Wij zien in de mensen om ons heen fouten en zwakheden, maar God claimt iedereen als Zijn eigendom – van Hem door de schepping, en dubbel van Hem, want gekocht door het kostbaar bloed van Christus. Wij zijn allemaal naar Zijn beeld geschapen, en zelfs de meest gedegenereerde mensen moeten met respect en tederheid behandeld worden. God houdt ons verantwoordelijk voor zelfs maar een verachtelijk woord, gesproken over een ziel waarvoor Christus Zijn leven heeft afgelegd…

Jezus zegt, dat een ieder die zijn broeder veroordeelt als afvallige, of als iemand die God veracht, laat zien dat hijzelf diezelfde veroordeling waard is. Toen Christus zelf met satan over het lichaam van Mozes streed, “durfde Hij geen smadelijk oordeel uit te brengen” (Judas, vs 9). Had Hij dit wel gedaan, dan had Hij Zichzelf aan satans kant geschaard, want beschuldigen is het wapen van de boze. Hij wordt in de Schrift “de aanklager van onze broeders” (Op. 12:10) genoemd. Jezus gebruikt geen van de wapens van Satan. Hij verweerde zich met de woorden: “De Here straffe u” (judas, vs.9)

Zijn voorbeeld geldt ons. Wanneer wij in aanraking komen met de vijanden van Christus, mogen wij niets zeggen in een geest van vergelding, of wat zelfs maar de schijn van schelden of beschuldigen in zich draagt. Wie Gods spreekbuis is, mag geen woorden uiten die zelfs de Majesteit van de hemel niet zou gebruiken in de strijd tegen Satan. Wij moeten het berechten en veroordelen aan God overlaten.